Skip links
Inhoud

1900 - 2000

1900 SLAGERIJ AARNOUTSE 2000

Honderd jaar Slagerij Aarnoutse in Gennep. In dit geval: vijf opeenvolgende generaties in rechte lijn uit één familie, die het oude beroep van slager uitoefenden: Leendert, Jacob, Rob, Jan en Robèr Aarnoutse. Eigenlijk moeten we nóg verder dan die periode van honderd jaar terug, want het eerste schriftelijke signaal van het slagersberoep bij Aarnoutse in Gennep dateert al uit 1884. Dat de familie toch dit jaar het eeuwfeest viert komt, omdat Jacob (Leonardus Jacobus Hubertus) Aarnoutse op 21 september 1900 een slagerswinkel opende aan de Rijksweg (nu: Spoorstraat).

Inhoudelijk is het slagersvak in de laatste 150 jaar drastisch veranderd. Dit houdt verband met de wijziging in leefomstandigheden en consumptiepatroon, met de stijging van de welvaart en de ontwikkeling van de techniek. In 1843 zijn er in Gennep volgens de statistieken drie personen die zich 'slager' noemen, drie joden, nl. Bock, Kaufman en De Vries. Toevallig? Het waren handelaren in vee, die kousjer slachtten. Van oudsher was 'slager' een van de weinige beroepen die een jood mocht uitoefenen.

Het beeld van de slager dat wij heden ten dage hebben, bestond rond 1850 nog niet. Aan een man die het slachten van dieren, gekoppeld aan de verkoop van vlees en vleeswaren, als zijn beroep had, was toen geen behoefte. De meeste gezinnen mestten konijnen, een geit of een varken in een stal bij het huis. Dat was -met het pluimvee- hun vleesvoorraad. Rundvlees was voorbestemd voor de hoge feestdagen of kwam frequenter op tafel bij de beter gesitueerder. Naast de zelfslacht deed men een beroep op de huisslachter, de loonslager. Het bewaren van vlees was een probleem: het werd gezouten (pekelvlees) of gedroogd en gerookt (spek en ham).

Het roken van vlees, met name spek, vereiste een speciale inrichting (de rookkast) en vaardigheid (de goede soort houtkrullen, de juiste tijd en vochtigheidsgraad). De eerste Gennepenaren die zich rond 1875 'slager' noemen, hebben zich dan ook toegelegd op de rokerij en zien in de verkoop van gerookt vet of mager spek een aardige bijverdienste. In dat licht moeten we ook de start van Leendert Aarnoutse zien. In het Gennepse bevolkingsregister van 1883 wordt hij met het beroep 'arbeider' vermeld. Hij handelt dus daarnaast in spek en ham, die hij rookt en weer verkoopt.

Hij is niet de enige in Gennep. Tussen 1885 en 1900 zijn er minstens tien inwoners die in spek en ham handelen, o.a. de drie joodse slagers en P.Th. van Well, J. Noy, W. Nillessen Janssen, en G. Aengenendt. Verder is er Th. H.H. Jetten, azijnfabrikant (!), die inlands en Amerikaans spek en reuzel te koop aanbiedt.

Vanaf 1873 is er een flink aantal 'buitenlanders' (ambtenaren bij de NBDS) ingestroomd. Zij komen uit steden en dorpen van de rest van Nederland en hebben in hun vorige standplaats een groter assortiment aan vlees gekend. Gennep in het geïsoleerde kopje van Noord-Limburg (1600 inw.) kan hun dat niet bieden. Er ontstaat een groeiende vraag naar andere vleesartikelen dan spek en reuzel. Men wil rund- en varkensvlees. De Gennepse middenstand speelt er op in.

We zien dan de komst van zaken met een breder aanbod van vlees, de slagerswinkel ontstaat. In de Maas- en Niersbode vinden we dat terug. P.J. Joosten biedt 'puik rundvlees' aan (1891). Th.L. Kersten op de hoek van de Kerkstraat start een rund- en varkensslagerij (1899) en H. Timmermans maakt bekend, dat hij een slagerij annex kruidenierszaak opent (1900). In dit laatstgenoemd jaar voert ook Jacob Aarnoutse zijn plannen uit en opent een slagerij aan de Rijksweg, de 'Grootenweg' van Venlo naar Nijmegen, die door Gennep loopt.
Hierna zullen we achtereenvolgens de vijf hoofdpersonen Aarnoutse in hun handel en wandel door de twintigste eeuw volgen.

Wiel van Dinter Gennep, september 2000







Snelkoppelingen