Skip links
Inhoud

Jacob Aarnoutse

Leonardus Jacobus Hubertus Aarnoutse is van jongs af aan vertrouwd geraakt met vaders handel in spek en hammen. Leendert komt geleidelijk aan tot de overtuiging dat de handel in vlees best toekomstperspectief biedt voor zoon Jacob. Hij heeft gemerkt dat in Gennep de vraag naar vlees en vleeswaren met het stijgen van de welvaart groeit. Er is in Gennep met de komst van de grootste werkgever, de Noord-Brabantsch-Duitsche Spoorwegmaatschappij met zijn hoofdbureau in het stadje, een brede middenlaag van mensen ontstaan, die meer dan voorheen geld te besteden heeft. En met dat groter budget is men ook kritischer geworden. De tijd van drie keer aardappelen eten per dag, van spek als enig vlees, raakt voorbij.

Opleiding

Leendert ziet scherp de mogelijkheden en bereidt zijn zoon op die nieuwe kansen voor. Een van zijn bekenden in Goch, een prima vakman, is bereid twee Gennepse jongens in de kost en in de leer te nemen. En zo komen Jacob Aarnoutse en zijn schoolkameraad Jan van Antoon Noij bij slager Tervooren terecht. Goch als centrum van de vlasteelt en -bewerking heeft meer allure dan Gennep en... er wonen veel meer mensen voor wie vlees geen luxe artikel (meer) is. Daar kan een leerling kennis maken met het moderne slagersvak. Kijk maar naar hotelier Everard Verzett in de Niersstraat, bekend om zijn fijne keuken. Die heeft het vak ook in Pruisen geleerd.
Het is zwaar werk voor de jonge Gennepenaren. Donderdags al kijken ze uit naar de zaterdagnamiddag. Dan mogen ze te voet naar huis. Als ze geluk hebben, kunnen ze met een voerman meerijden. Maar vóór de Niersbrug springen ze dan van de kar en steken een zorgvuldig bewaarde sigaar op. Als deftige heren in bonus lopen ze de Niersbrug over , de Niersstraat in en steken hun hand op naar bekenden op de Markt. Quasi gewichtig slenteren ze over de 'groote straot' en slaan bij jaones de Haon' de Molenstraat in.
Na hun Gesellenpriifung in Goch voltooien ze hun opleiding bij slager Sc1Wer in Kleef. Deze stad herbergt als kuuroord veel gasten uit grote steden en uit deftige kringen, voor wie goed vlees heel gewoon is. Jacob en Jan leren bij Schger de fijne kneepjes van het keuren en verwerken van vlees. En als ze ten slotte met het Pruisisch slagersbrevet (Meisterprufung) en de nodige recepten thuiskomen, weten ze dat ze klaar zijn voor de Gennepse uitdaging. De worst met een ster in het centrum van de schijf zal Jacobs achterkleinzoon nog eens een internationale prijs opleveren!

Slagerswinkel

In 1899/1900 komt de grote verandering. Jacob heeft in Goch Anna Gertruda Janssen leren kennen. Ze hebben trouwplannen. Voorts wil hij, nu hij vakbekwaam is, een slagerij beginnen zoals hij die uit Goch en Kleef kent. Hij heeft een perceel grond (B 1159) op het oog aan de Rijksweg tussen H. van Arensbergen en café Clement Roosenboom (later P Gartsen). Op 9 augustus 1900 vraagt hij aan B. en W. van Gennep toestemming daar een 'rund- en varkensslagerij te mogen oprichten.' Het winkelgedeelte komt rechts vooraan, de slagerij (werkplaats) en stal in de achterbouw. Ook meldt hij zich aan bij de Kamer van Koophandel.
De zaak zal heten: J. Aarnoutse, rund- en varkensslagerij, met als adres Spoorstraat 312 te Gennep. Datum van vestiging 20.09.1900.
Daarna vinden de belangrijke gebeurtenissen binnen enkele maanden plaats. Op 24 juli 1900 treden Leonardus Jacobus Hubertus Aarnoutse en Anna Gertruda Janssen in het huwelijk. Op 21 september 1900 opent Jacob Aarnoutse zijn winkel. Hij wil met zijn slagerij een breed gebied bedienen (Gennep en omstreken). Zijn werkplaats achter duidt er op, dat hij zelf varkens en koeien gaat slachten. Zelf beesten kopen en geslacht verwerken. Van de winkel vóór moeten we ons geen al te grootse voorstelling maken. Het is een ruime kamer van 7,5 bij 5 meter. Op de plavuizen vloer staat een kleine toonbank met weegschaal en een set gewichtstenen. Er hangt een vleesstang met een paar haken voor enkele ronde worsten. En als je de voordeur openmaakt, slaat een pin tegen de bladveer en weerklinkt de winkelbel.

Knakworst

Het assortiment aan vlees en vleeswaren is aangepast aan de vraag van die tijd. Nog steeds maken spek, gerookt of doorwassen, kinnenbakspek en uitgesmolten reuzel een groot deel van het aanbod uit, want sma.lt en kojje vormen nog een belangrijk deel van het volksvoedsel. Een voorsprong op de andere slagers heeft Jacob Aarnoutse wat worst betreft. Mensen bestellen speciaal bij hem de bloed-, lever- en rookworst. Het recept daarvoor heeft hij uit Duitsland meegebracht. Hij maakt in 1900 al een knakworst met een uitzonderlijke smaak. De verkoop aan vlees is niet van dien aard, dat Jacob een hele koe per week omzet. Hij slacht samen met Toon Noij, zodat het beest binnen één week onder hun beider klanten is verhandeld. Het bewaren van vlees is in die tijd immers een probleem. Indien nodig stuurt hij de 'bellenman' (stadsomroeper) rond om de mensen mee te delen, dat er bij Jacob Aarnoutse aan de Spoorstraat puik rundvlees te koop is voor 35 cent per pond.

Vragen en brengen

Bezoek aan de winkel is gedurende de eerste jaren miniem. De slager gaat mensen aan huis 'vragen' en bezorgt ze het bestelde thuis. Dat bezorgen gebeurt aanvankelijk te voet. Met de bestellingen in een korf aan de arm een schone handdoek erover en eronder loopt de slager, en later de knecht, de klanten af. Aan de deur wordt afgerekend en als het kan de volgende bestelling in een boekje genoteerd. Soms neemt een groter meisje het bestelde 'op de pof mee en hoopt de slager het geld de volgende keer te innen. Kenmerkend is het verhaal dat de slager met de bestelling bij een 'trage' betaler aan de deur komt en voordat de bestelling afgegeven wordt, tegen het meisje dat open doet zegt: "Mag ik eerst afrekenen?" Het meisje gaat naar binnen en komt terug met: "Moeder zegt, de slager kent me toch?" Waarop de slager snedig antwoordt: "Juist daarom."

Al is Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) neutraal, toch hapert ook hier de voedselvoorziening en hebben slagers het moeilijk. Het vlees wordt duur en om woekerprijzen te voorkomen stelt de overheid maximumprijzen vast. Het hoogwater van 1920 en 1926 bezorgt ook Jacob Aarnoutse veel overlast. De werkplaats en de stal komen onder water te staan. Het slachtvee kan tijdelijk bij hoger gelegen boeren op stal, maar het slachten zelf staat stil. Met grote spanning wordt het zakken van het water afgewacht. En dan begint het vegen, schrobben en dweilen. Het verlies aan omzet wordt door geen enkele instantie vergoed.

Welstand

De slagerszaak rendeert goed. Zoon Robert zal later in de zaak komen en de andere kinderen krijgen een goede opleiding. Jacob en Anna zijn in staat ze te laten doorleren op een kostschool, een teken van zekere welstand in die twintiger jaren. Louise kan naar het onderwijsinternaat in Tilburg en Cor bezoekt de onderwijzersopleiding te Venlo. Alles betaald met de pondjes rund- en varkensvlees die door de handen van vader Jacob gaan. En met de stille arbeid van moeder Anna, die het huishouden bestiert en achter de winkel de zaak opvangt.
Als Jacob tegen de zestig loopt, gaan jaren dubbel tellen. Een leven lang keihard werken eist zijn tol. Hij krijgt last van zijn hart en moet soms naar adem happen. Zoon Rob, die al tegen de dertig loopt, gaat hem steeds meer werk uit handen nemen. Zoals iedere jonge man heeft hij echter nieuwe plannen en ideeën in het slagersvak. Hij heeft verkering met Antonetta Noij en wil mettertijd trouwen. Thuis introuwen heeft niet zijn voorkeur; de zaak van vader Jacob overnemen niet de hoogste prioriteit. Hij praat met Tonie over andere plannen. Maar de mens wikt en God beschikt... Ook hier..







Snelkoppelingen