Skip links
Inhoud

Leendert Aarnoutse

In 1842 wordt te Grijpskerke in de provincie Zeeland Leendert Aarnoutse geboren als zoon van de protestantse winkelier en landbouwer Cornelis Aarnoutse. Maar hoe komt een Zeeuw van Walcheren in Gennep terecht? Dit heeft alles te maken met het feit dat Gennep in 1839 van het koninkrijk België naar het koninkrijk Nederland is overgegaan, en dat vader Cornelis zijn zoon voor een politieopleiding laat kiezen.

Tragiek

Het beleid van de Nederlandse overheid is er in die jaren op gericht in de nieuwe, toegevoegde (katholieke) gebieden gezagsgetrouwe, protestantse ambtenaren te plaatsen, die eventuele Belgisch (of Duits) gezinde neo-Nederlanders kunnen lokaliseren en in de gaten houden. Een van die politieambtenaren is in de zestiger jaren van de negentiende eeuw de hierboven genoemde Leendert Aarnoutse. Al is hij nog geen dertig, de tragiek heeft in zijn leven al toegeslagen. Pas getrouwd zijnde, ziet zijn jonge vrouw Anna Gerdina van Tatenhove uit Gapinge hun eerste kind dood geboren worden. En bij de geboorte van hu tweede nakomeling sterft eerst de jonge moeder en kort daarna ook de baby.
Leendert Aarnoutse treedt in 1868 in dienst als marechaussee en krijgt de standplaats Horst. Gennep herbergt vanaf de overgang naar het Nederlandse koninkrijk een detachement marechaussees in de nieuw gebouwde kazerne aan de Niersweg (later de plek van het slachthuis, nu: ongeveer Niersweg nrs. 9 t/m 23). De weduwnaar Leendert Aarnoutse wordt vanuit Horst te Gennep gedetacheerd en komt samen met enkele collega's in de kost bij het bierhuis Bekkers in de Pottenhoek, vlak bij de kazerne.

Charme

Aan de overkant woont dan Wim Roosenboom en zijn zus Johanna, de Gennepse vroedvrouw. Zij is moeder van een dochter, de zestienjarige Louize Roosenboom. Deze raakt onder de indruk van de stoere marechaussees te paard met hun strakke uniformen. Is het tijdens de Gennepse kermis van 1871, dat zij valt voor de 29-jarige Leendert Aarnoutse? En is de jonge weduwnaar gecharmeerd geraakt van dat hupse overbuurmeisje? Het is zo menselijk, al is ze pas zestien jaar. 20 juli 1872 bevalt Louize Roosenboom bij haar moeder thuis van een jongetje. De jonge ongehuwde moeder noemt haar zoon Leonardus Jacobus Hubertus, de eerste naam als katholiek equivalent van Leendert. Het is grootmoeder Johanna Roosenboom die haar kleinkind gaat aangeven op het stadhuis.
Dan dreigt er opnieuw een drama voor Leendert Aarnoutse. Trouwen? Een protestantse man met een katholiek meisje; een gemengd huwelijk? Bijna onmogelijk in die dagen! Is het de wens van haar moeder dat Louize haar kind naar de tweede naam Jacobus gaat noemen? Pas drie jaar later, op 28 juli 1875, vindt het wettelijke huwelijk in Gennep plaats. Leendert Aarnoutse is dan weer in Horst gelegerd. Burgemeester Muskens voltrekt het huwelijk. Twee collega marechaussees uit Gennep zijn de getuigen van de bruidegom. Voor de bruid treden de veldwachter en de deurwaarder als getuigen op. Bij die gelegenheid erkent en wettigt Leendert Aarnoutse de kleine Jacob en heet het jongetje voortaan Jacob Aarnoutse.Spekhandel
Louize volgt haar man naar Horst. Zij raakt in verwachting van hun tweede kind. Zij wil toch in Gennep bij haar moeder, de vroedvrouw, bevallen en brengt daar op 16 mei 1876 hun dochtertje Johanna ter wereld. Twee weken later vestigt Leendert zich vanuit Horst definitief in Gennep. Hij heeft dan het korps marechaussee verlaten en verdient in zijn nieuwe woonplaats de kost als dagloner. In 1879 staat hij in het volksregister met het beroep koopman vermeld. En in 1881 geeft Leendert als beroep commissionair op. Hij koopt dus op eigen naam en rekening goederen in voor anderen. Zit hij in de vleeshandel?
Wellicht is hij kort daarop voor zichzelf begonnen. Wat we zeker weten is, dat hij in 1884 zijen spek en hammen verkoopt. Hij plaatst dat jaar namelijk in de Maas- en Niersbode een advertentie, waarin hij dit varkensvlees te koop aanbiedt. Het zetten van een advertentie is in die dagen al iets moderns. Leendert schijnt met zijn tijd mee te gaan. Blijkbaar koopt hij bij de boeren in en verkoopt vanuit zijn huis (dan in de Molenstraat) het vlees in kleinere partijen aan particulieren. Als zijn zoon Jacob ouder wordt, gaat deze zijn vader helpen in de vleeshandel.

Slagerswinkel

Leendert Aarnoutse heeft in Gennep veel contact met beroepsgenoot Toon Noij, ook in de Molenstraat (nu: nr.8).Zij slachten samen. Rond 1888 sturen zij beiden hun zoons Jan en Jacob naar Goch en Kleef. In Pruisen is het slagersvak goed ontwikkeld; de Gennepse jongens gaan daar in de leer (en in de kost) om de fijne kneepjes van slachten en vleesbewerking onder de knie te krijgen en het (Pruisische) slagersbrevet te halen. Aan het eind van de 90-er jaren is de handel voor Leendert Aarnoutse blijkbaar belangrijker geworden dan zijn andere bezigheden en kent men hem in Gennep als Spék-Nöl. Zoon Jacob gaat steeds meer werk uit handen van zijn medio vijftig zijnde vader nemen. Tegen de eeuwwisseling ontstaat het plan een echte slagerszaak te beginnen: zelf slachten, uitbenen, uitponden en op bestelling verkopen.
Vader Leendert nadert de zestig levensjaren en doet graag een stapje terug. Hij ziet zich niet meer aan zo iets nieuws als een slagerswinkel beginnen. Dat laat hij aan de jongelui over. De Gennepse gemeenschap is klein genoeg om te weten, dat Mantje Timmermans ook met plannen voor een slagerswinkel rond loopt. Zoals gebruikelijk in die tijd zal Jacob met zijn ouders onder één dak gaan wonen. Tussen J. van Arensbergen en Clement Roosenboom aan de Rijksweg wordt een stuk grond gekocht. Jacob dient de bouwplannen bij de gemeente in. De jonge Aarnoutse heeft zijn plan getrokken en weet wat hij wil. Leendert Aarnoutse trekt zich volledig uit het slagersbedrijf terug.







Snelkoppelingen