Skip links
Inhoud

Rob Aarnoutse

ROB AARNOUTSE (1903 - 1975)

Robert Willem Johannes Aarnoutse wordt op 7 april 1903 te Gennep geboren als zoon van Jacob Aarnoutse en Anna Janssen. Oudste zoon zijnde, is hij voorbestemd de zaak van zijn vader voort te zetten. Het stadje ondervindt in de twintiger jaren de terugslag van het bankroet van Genneps grootste werkgever, de NBDS. De Eerste Wereldoorlog heeft de spoorwegmaatschappij de nekslag gegeven en in de armen van de kapitaalkrachtige Staatsspoorwegen gedreven. Het staatsbedrijf neemt het failliete spoornet over met alle negatieve gevolgen van dien voor de werknemers. De internationale spoorlijn Boxtel - Wesel devalueert tot een lokaal lijntje. Het hoofdbureau van de NBDS aan de Spoorstraat wordt opgeheven, de werkplaats geleidelijk ontmanteld. In enkele jaren tijd is het merendeel van de spoorbeambten en -ambtenaren naar alle delen van Nederland overgeplaatst en daalt de wekelijkse omzet in de Gennepse winkels met honderden guldens. De middenstand krijgt een flinke terugslag.

Malaise

Boven op deze financiële klap komt dan nog de malaise in de wereldhandel (de krach van 1929), de economische ineenstorting van Duitsland en de trieste crisis van de jaren '30. Het aantal Gennepenaren zonder werk neemt met tientallen toe. Geen prettig vooruitzicht voor een Gennepse slagerszoon om het bedrijf van zijn vader over te nemen. Rob heeft verkering met een Gennepse slagersdochter, Antonetta Theodora Maria Sophia Noij uit de slagerswinkel van Jan Noij op de Zandstraat.
In navolging van zijn grootvader en vader handelt Rob in vee. Voor dag en dauw staan vader en zoon al op de Bossche markt, kopen er beesten om ze even later weer met winst te verkopen. Vaak hebben zij 's morgens vóór acht uur al meer verdiend dan thuis in de winkel de hele dag. Via de markt krijgen ze relaties in Maastricht en Rob overlegt met zijn verloofde serieus of ze niet zullen gaan trouwen en in Maastricht wonen. Maar het lot beslist anders.

Koop

In de Zandpoort -tegenover café de Stadsherberg (nu: de Witte Olifant)- heeft eind twintiger jaren Wout Roosenboom en zijn echtgenote Sibylle Duurlinger een nieuwe varkensslagerij gebouwd. Wanneer slager Roosenboom in 1934 schielijk komt te overlijden, wijst Jacob Aarnoutse zijn zoon op de kans die zaak over te nemen. Daarmee wordt tevens voorkomen, dat er zich een concurrent vestigt. Bovendien heeft Jacob dan de kans zijn winkel van 1900 op te heffen en te gaan rentenieren. De beslissing wordt snel genomen; Jacob Aarnoutse koopt de zaak Zandstraat 71 van weduwe Roosenboom voor zoon Rob.
De slagerij krijgt een grondige onderhoudsbeurt. Bij de Kamer van Koophandel worden de formaliteiten geregeld. Robs nieuwe zaak is een rund-, kalis- en varkensslachterij. Net als zijn ouders in 1900 trouwt Rob vlak voor de opening van de winkel. Op 24 juli 1935 geven Rob en Tonie elkaar het ja-woord. Spoedig daarna gaat de slagerij open. Een frisse, moderne winkel, een jonge, pronte winkelvrouw met een vriendelijke manier van bedienen, kwalitatief goed vlees, de zaak gaat bloeien. Al spoedig staat de knecht Piet Hermsen in dewerkplaats. Tonie draagt de winkel, noteert de bestellingen en maakt ze met Piet klaar. Rob is achter het hakblok of op de veemarkt te vinden. Hij fietst de boeren af om daar vee te kopen voor de slagerij en zet jonge koeien in zijn Maasweien om ze vet te mesten voor de winkel.
De klantenkring strekt zich uit van Milsbeek tot Siebengewald. Door koop van beesten bij boeren en via mond-tot-mondreclame groeit de klandizie. Rob -en later knecht Piet Hermsen- doet 's maandags de ronde om bij de klanten te 'vragen'. De bestellingen worden of afgehaald dan wel 's zaterdags met de korf op de fiets thuis gebracht. In de buurt ook te voet, bijv. naar de Duivenakker voor... twee speklappen! Maar er zijn ook grote klanten: het klooster van de Zusters van Liefde, de sanatoria Maria Oord en Zonlichtheide, Maria Roepaan en de Paters van de H.-Geest. Niet elke dag, maar netjes beurt om beurt met andere slagers.

Oorlog

De dertiger jaren eindigen met de mobilisatie en de veertiger beginnen met de Tweede Wereldoorlog. Vlees komt dan evenals suiker, meel, aardappelen enz. enz. 'op de bon'. In de winkel mag slechts vlees verkocht worden tegen overlegging van in die periode geldige bonnen. De slager kan dan evenveel vlees betrekken in het slachthuis aan de Niersweg als de ingeleverde vellen met opgeplakte bonnen waard zijn. Op clandestien slachten staan zware straffen. Het zijn barre tijden, ook voor winkeliers.
De evacuatie in oktober 1944 betekent voor Rob en Tonie huis en haard -en hun slagers-zaak- verlaten. Voorjaar 1945 keert het gezin via Haps vanuit Veenendaal in Gennep terug. Onbeschrijflijke rommel en chaos overal, het achterhuis door granaat getroffen. Zij proberen het voorhuis water- en winddicht te maken. Koeien zijn door het Duitse bezettingsleger over de grens weggevoerd en daar gestald. Zie dat vee maar eens terug te krijgen. Nieuw vee in de Maasweien is in aanvang onmogelijk door gevaar van munitie en mijnen:k Met alle problemen thuis toch nog oog voor het Gennepse gemeenschapsleven. Rob Aarnoutse stelt zich kandidaat en wordt lid van de eerste na-oorlogse gemeenteraad van 1946 tot 1949. Maar ook de winkel weer oppakken en beginnen met verkoop van bevroren lamsvlees en... vis in blik!
De slagerij herrijst uit het puin. In het allereerste begin bezorgen op een fiets met volbanden. Op een laken de klaargemaakte bestellingen in papier op de grond met het naambriefje, tevens nota, er op. Tussen handdoeken in de grote fietsmand. Elke week stapels handdoeken in de was! De rookkast komt weer klaar. En dan beukenkrullen en zaagsel zien te krijgen bij Sjang Giesbers, de Genneper Molen of Tonnie Smeets. In het slachthuis nu zelf koeien en varkens slachten en de bouten onder een laken op een grote handkar zelf terugrijden naar de zaak.

Assortiment

In de vijftiger jaren veranderen geleidelijk aan de eetgewoonten en daarmee de vraag naar soorten vlees en vleeswaren. Op de groei van het besteedbaar inkomen en de kennismaking met andere eetculturen spelen de slagers in door verbreding van hun assortiment. Vóór 1900 was bij slager Leendert Aarnoutse spek, ham en reuzel hét verkoopartikel. Na 1900 verkoopt Jacob Aarnoutse tevens bloed-, lever- en knakworst, gehakt, braadworst, speklappen en balkenbrij. Rob Aarnoutse breidt zijn aanbod uit met allerlei soorten rund- en varkensvlees, zoals karbonade, ossenhaas, liesstuk en koteletten. Er is een duidelijke toename van de winkelverkoop. Met de aanschaf van de snijmachine komen er naast de ronde worst ook de fijne vleeswaren (tongenworst, metworst en leverkaas). De kartonnen schaaltjes voor snijwerk doen hun intrede.

Welletjes

Als slager Rob de zestig passeert, vindt hij het winkelbedrijf voor zijn vrouw en hem wel zwaar worden. Zijn opvolger, zoon Jan, heeft al zo'n tien jaar meegedraaid. Hij is klaar voor de zelfstandige aanpak, vindt Pap. Resoluut zet Rob er op 1 februari 1964 een punt achter en gaat de zaak voortaan Slagerij Aarnoutse heten. Rob betrekt met zijn vrouw een huis in de Emmastraat. Hij wil wel op de achtergrond meewerken door met zoon Jan in de veehandel actief te blijven. Maar het heilige 'moeten van elke dag' is er niet meer bij. Hij kan zich volledig gaan wijden aan zijn bestuurstaken bij de landelijke structuur van de veehandel. Te kort mag hij genieten van de rust in de Emmastraat. In 1975 overlijdt hij vrij plotseling en blijft zijn vrouw, de nu 93-jarige Antonetta Aarnoutse-Noij, er met haar zoon Toon wonen.
Openbare functies van Rob Aarnoutse:

  • bestuurslid van de Nederlandse Katholieke Slagersbond
  • prijswaarnemer voor het Productschap Vee en Vlees
  • bestuurslid Bedrijfschap Slagersbedrijf
  • raadslid van de gemeente Gennep 1946-1949
  • jurylid bij de Paasveetentoonstellingen in Den Bosch en Antwerpen






Snelkoppelingen